Kelpiebrink NL > Gezondheid

Gezondheid

Hier vindt u informatie met betrekking tot een aantal gezondheidsfactoren die van belang kunnen zijn voor een kelpie. 

 

NB: De foto's worden geplaatst om de lappen tekst wat te onderbreken.

De volgende onderwerpen worden behandeld:

Epilepsie
Hartklachten
Heupdysplasie
Cryptorchidie
Cerebellar Abiotrophy
Patellaluxatie
Oogziekten
Rugklachten
Artrose en Sondylose

 

Epilepsie

Epilepsie in de kelpie


Epilepsie komt ook bij de kelpie voor. In Zweden lijkt het meer in de working lijnen voor te komen dan bij de Australian kelpie maar omdat de oorsprong hetzelfde is en de lijnen vaak verweven zijn kunnen we er van uitgaan dat het ook bij de Australian Kelpie meer voorkomt dat bekend.
Gelukkig is het bij lange na niet zo erg als bij de Border Collie. Soms slaat het hele generaties over om daarna weer eens in een lijn te voorschijn te komen.
Kortom: het komt in het ras voor maar nog niet zo vaak als in sommige andere rassen gelukkig.

Wat epilepsie is staat hieronder beschreven.

tl_files/gezondheid/Roosje mooi aan het poseren.jpg

 

Epilepsie

Inleiding

Het syndroom epilepsie wordt bij 1 tot 2% van alle honden waargenomen. De exacte frequentie varieert per ras, regio en land. Het komt vaker voor bij de rasgroepen herders, jachthonden en dogachtigen. Ook binnen de verschillende rasgroepen zijn er uitschieters. Ook de frequentie varieert, met name bij genetische epilepsie, in de tijd

Indeling op basis van de verschijningsvorm
Epileptische of epileptiforme aanvallen zijn het gevolg van een abnormale elektrische activiteit in de cerebrale cortex of subcorticale regio’s, zoals de thalamus en hersenstam (3). Als beide hersenhelften betrokken zijn, spreken we van een gegeneraliseerde aanval en als slechts een (klein) deel van de cerebrale cortex of subcorticale regio’s is betrokken, spreken we van een gedeeltelijke of focale aanval.

Gegeneraliseerde aanvallen: beide hersenhelften zijn betrokken
De vorm die we het meest zien is de zogenoemde gegeneraliseerde tonisch-clonische aanval. In principe is er, bij alle vormen van gegeneraliseerde aanvallen, sprake van een duidelijk verlies van bewustzijn. In de regel is er een inleidende pre-ictale fase. Hoewel in diverse handboeken gesproken wordt van een prodroom en aura, is het bij onze huisdieren nagenoeg onmogelijk een aura te onderscheiden. Een aura is de fase die direct vooraf gaat aan de werkelijke aanval (de ictus) en is meer een ervaring die de patiënt voelt dan een voor ons herkenbare fase. Dit in tegenstelling tot een prodroom waarbij het dier aanhankelijker kan zijn, drukker etc. Een prodroom kan minuten tot dagen duren.
Na de prodroom volgt de ictus. Tijdens de ictus valt (of ligt reeds) de patiënt op zijn zijde. Eerst treedt een tonische periode op, waarbij een ophistonus en tonische kramp van alle vier de ledematen gezien kan worden. Hierna volgt de zogenaamde clonische aanval, die zich presenteert als fietsen of schokkende bewegingen met de benen. Tijdens de ictus, waarbij de patiënt bewustzijnsverlies ondergaat, kan de patiënt vocaliseren, kwijlen, plassen en poepen . De ictale fase duurt seconden tot minuten. Na de ictus treedt de post-ictale fase in. Deze kan afwezig zijn. De fase kan seconden tot dagen duren. Hierbij is de patiënt soms geheel niet in staat te lopen, atactisch, slaperig, agressief, onrustig, etc. Vaak zien we enig, tijdelijk, geheugenverlies (2-4). Met name de ictale en post-ictale fase zijn voor hondeneigenaren dramatisch en eigenaren beoordelen dit als een duidelijk verlies van kwaliteit van leven .

tl_files/gezondheid/Happy Jelle.jpg

Andere gegeneraliseerde vormen

Naast deze klassieke tonisch-clonische aanval zijn er bij de mens vijf andere gegeneraliseerde vormen herkenbaar die niet altijd even goed bij onze huisdieren herkend kunnen worden . Ook bij deze vormen is er min of meer een duidelijk bewustzijnsverlies. De tweede vorm is een zuiver tonische aanval met opnieuw bewustzijnsverlies, maar extreme spierstijfheid. De derde vorm, een clonische aanval, bestaat uit opnieuw verlies van bewustzijn en alleen clonische bewegingen met de benen. Atonische aanvallen (vierde vorm) kenmerken zich door een plotseling verlies van spierspanning. Myoclonische aanvallen (vijfde vorm) presenteren zich als het plotseling schokken van een of meer spiergroepen. De meest bekende myoclonale epilepsie bij honden is Lafora in Beagles, Bassets en Dashunds . De aanval wordt getriggerd door geluid of licht. De zesde vorm zijn absences. Hierbij valt de patiënt heel even weg. Van deze vijf vormen zijn voor dierenartsen alleen de tonische en myoclonische epilepsie redelijk goed herkenbaar.

Focale of partiële aanvallen
Bij focale aanvallen is slechts een klein deel van de cerebrale cortex of subcorticale regio’s betrokken. Hierbij moet aangetekend worden dat focale aanvallen ook kunnen overgaan in gegeneraliseerde aanvallen.
Doordat focale aanvallen soms moeilijk te herkennen zijn lijken ze soms op zogenaamde bewegingsstoornissen, ‘movement disorders’, of paroxisme. Als er een duidelijk bewustzijnsverlies optreedt, is het waarschijnlijk epilepsie. Indien er geen duidelijk bewustzijnsverlies optreedt kunnen we gaan spreken van een paroxisme. Er bestaat behoorlijk wat overlap en bij sommige stoornissen is de pathogenese hetzelfde. Deze groep van aandoeningen is zelfs voor ervaren (veterinaire) neurologen een uitdaging.

Clustering en status epilepticus
Zowel ‘clustering’ als status epilepticus is een vorm van de klassieke gegeneraliseerde aanvallen, maar duren langer en zien er anders uit. Clustering verwijst naar een korte tijdsperiode (in minuten tot uren), waarin zich verschillende aanvallen voordoen en waartussen, min of meer, nog steeds een post-ictale fase kan worden herkend. Status epilepticus verwijst naar de situatie waarbij meerdere aanvallen elkaar volgen, zonder post-ictale fase ertussen. De meeste auteurs spreken tegenwoordig van de status als de aanval of het hele cluster langer duurt dan 15 minuten. Clustering en status epilepticus zijn levensbedreigende situaties, waarin de hondeneigenaar of dierenarts onmiddellijk moet handelen.

Etiologie
Naast de indeling naar vorm, kennen we ook een indeling naar oorzaak of etiologie. Een indeling die in de meer recente veterinaire handboeken terug te vinden is gaat uit van vier groepen:
1) Echte, primaire of idiopathische epilepsie, waarbij dus nooit een oorzaak gevonden wordt.
2) Secundaire epilepsie, waarbij een aantoonbare laesie intracraniaal aanwezig is.
3) Reactieve epilepsie, waarbij de aanvallen optreden doordat een extracraniale oorzaak de hersenfunctie beïnvloedt.
4) Cryptogene epilepsie. Bij deze laatste groep is er ook sprake van een intracraniale laesie, maar is deze niet meer aantoonbaar.

tl_files/gezondheid/spelen.jpg

Recent is voorgesteld deze indeling, wederom naar analogie van de humane indeling, te simplificeren. We spreken nu van zogenaamde ‘echte epilepsie’ en van ‘valse’ of “niet-echte epilepsie”. ‘Echte epilepsie’ bestaat uit de volgende hoofdgroepen:
1 Idiopathische epilepsie
1a. Idiopathische epilepsie met een erfelijke of genetische grondslag. Bij deze vorm wordt de erfelijkheid vermoed op basis een hoge prevalentie binnen een ras, familieonderzoek of het daadwerkelijk vinden van een mutatie.
1b. Idiopathische epilepsie waarbij we de oorzaak, ondanks uitgebreid onderzoek niet kunnen vinden.

2 Structurele epilepsie (ook te benoemen als secundaire epilepsie). Hierbij is er een structurele afwijking aanwezig corticaal of subcorticaal. Denk hierbij aan (bijvoorbeeld) een hersentumor, trauma van de hersenschors, stapelingsziektes, ontstekingen etc. Formeel is Lafora, een voorbeeld van een myoclonale epilepsie dus een structurele epilepsie omdat het een stapelingsziekte is. Echter Lafora is een van de weinige vormen van epilepsie waarbij we de mutatie verantwoordelijk voor deze ziekte gevonden hebben (genetische epilepsie).

In deze hoofdgroepen zit het probleem ook echt intracraniaal.
Naast deze drie groepen kennen we ook de groep ‘valse of niet-echte epilepsie’. Dit wordt ook reactieve aanvallen genoemd. Hierbij veroorzaakt een probleem buiten de hersenen, bijvoorbeeld een intoxicatie, hartfalen of een metabool probleem, een aanval die lijkt op echte epilepsie, maar het dus niet is. Er is immers niets structureel mis met de hersenen.
De grote beperking van deze indeling is dat we zelden met zekerheid kunnen zeggen dat epilepsie erfelijk is. En wellicht is het zelfs, gezien de hondenfokkerij, ongewenst dat we ruimte voor interpretatie overhouden. Toch is het, zelfs voor de kwaadwillende fokker, niet mogelijk rashonden verdacht van genetische epilepsie te classificeren als idiopathisch wanneer we de benadering van Patterson et al (1989) volgen. De auteurs van dit artikel gaven duidelijk aan dat als een ziekte vaker voorkomt bij een en hetzelfde ras, steeds dezelfde klinische en pathologische vorm kent, familiaal voorkomt en toeneemt bij inteelt het waarschijnlijk een erfelijke ziekte is. Zelfs als we de mutatie nog niet hebben gevonden.

tl_files/gezondheid/kopfoto Loekie.jpg

Genetische epilepsie
Hoewel er een voorzichtige richtlijn is dat genetische epilepsie vaak gegeneraliseerd is, kan dit geenszins als absolute stelregel worden gebruikt. Genetische epilepsie kan focaal, gegeneraliseerd of een combinatie van focaal en gegeneraliseerd zijn. Vaak is het een rasgebonden probleem, dat zich presenteert per ras op een voor dat ras eigen manier. Voorbeelden zijn de Belgische herders, Border Collies, Labrador Retrievers, Engelse Springer Spaniëls etc. met allemaal hun eigen presentaties.
Wanneer kunnen we nu stellen dat een hond een idiopathische en mogelijk ook genetische epilepsie heeft? Hiervoor bestaan criteria die geen van allen 100% obligaat zijn:
1) De eerste epileptische aanval wordt gezien tussen de leeftijd van 6 maanden en pakweg 5 jaar.
2) Vaak betreft het een bekend ras met een voor dat ras bekende vorm.
3) De patiënt is gezond en tussen aanvallen door worden geen afwijkingen gevonden.
4) Er is geen duidelijke relatie tussen het optreden van een aanval en lichaamsbeweging en/of eten. Stress of bepaalde emotionele omstandigheden kunnen daarentegen de aanvallen triggeren.

Bron: https://www.veterinair-neuroloog.nl/ziektes/epilepsie

Hartklachten

Hartproblemen bij de kelpie.

Omdat Hartproblematie op dit moment toch wel een groot issue binnen het ras is publiceren we hier een samenvatting van het probleem, opgesteld door twee cardiologen en de eigenaren van de outback drovers alsmede kelpiebrink/caobrink kennel. Gebaseerd op jarenlange ervaring met kelpies.

We vinden het in dit geval minder zinvol om hier in te gaan op de werking van het hart.

tl_files/teven/Morrigan/DSC_3212-001.JPG

2019 Samenvatting overleg hartproblematiek kelpies; opgesteld door:

DR.NIEK BEIJERINK DVM PhD Dipl. ECVIM-CA
(Cardiology) 
Drs Hanneke van Meeuwen; dierenarts,
cardioloog i.o
M.E.M. v.d. Veerdonk-Feldbrugge  (Kelpiebrink)
L. Soyer (Outback Drovers Kennel)

 Regelmatig worden er bij kelpies (AK en WK)  hartziektes gemeld, waaronder:

  • mitralis  klep degeneratie (met of zonder hartvergroting)
  • hartvergroting door onbekende oorzaak.

Vergrote harten worden vaak ook een zogenaamd sporthart genoemd. Dit wordt vooral in werkrassen gezien, en een sporthart is geen probleem.
Dilaterende cardiomyopathie (DCM) is door de door ons geraadpleegde DA’s en veterinair cardioloog niet eerder door hen persoonlijk gevonden in dit ras. Dat er bij een enkele kelpie wel DCM wordt genoemd is, volgens deskundigen, een anomalie en zou een misdiagnose kunnen zijn (verwarring met mitralisklepdegeneratie of een sporthart). Diverse andere hartziektes zouden ook een enkele keer tot een hartvergroting kunnen lijden, maar deze worden hier buiten beschouwing gelaten.

Er zijn meerdere problemen die het lastig maken de situatie met betrekking tot hartgezondheid bij Kelpies in te schatten:

  • cardiovasculair onderzoek (inclusief hartecho’s) wordt niet door iedere dierenarts op dezelfde manier uitgevoerd, en de resultaten zijn soms voor meerdere uitleg vatbaar, onder andere doordat vanuit wisselende referentiekaders wordt beoordeeld.
  • Een ander probleem is dat er door eigenaren/fokkers/dierenartsen geen inzage in de patiëntenkaart wordt gegeven. Dat de problemen mede veroorzaakt kunnen worden door een diversiteit aan factoren is bekend doch moeilijk tot niet meetbaar.

Mitralis klep degeneratie (MVD)

MVD komt in alle rassen voor. 70-80% van honden met hartproblemen heeft het en 90% van alle hartruis wordt gevonden bij honden ouder dan 5 jaar. Deze ziekte hoeft niet perse problematisch te zijn, bijvoorbeeld als slechts een geringe lekkage op oudere leeftijn vastgesteld wordt.

Wanneer is het wel een probleem?: als er onder de 5 jaar geconstateerd wordt dat een hond een hartruis heeft. Eerste screening kan door iedere DA worden gedaan. Wellicht is auscultatie door een cardioloog beter, maar dat is niet laagdrempelig.
Colour Doppler met echografie is tevens heel betrouwbaar in het vaststellen van een lekkage of niet, maar deze techniek (Jet Area Techniek) is heel onbetrouwbaar in het vaststellen van de ernst van lekkage. Deze methode moet je daar dus ook niet voor gebruiken. Aanvullend cardiovasculair onderzoek is aan te bevelen. Daar valt bijvoorbeeld ook röntgen thorax onder als een hond benauwd is. Hartfalen wordt namelijk aangetoond met deze techniek.

Oudere honden (pakweg 10 jaar en ouder) met hartruis is niet normaal, maar niet perse zorgwekkend (twee derde van honden met mitralisklep insufficiëntie overlijd niet aan de ziekte, vooral niet als deze op latere leeftijd wordt aangetoond)

Een minimale lekkage, zonder dat er ruis gehoord wordt, is vaak geen probleem.  Komt ook in alle rassen voor. Dit is ook de reden dat je bij screeningsonderzoek beter alleen kunt ausculteren (en niet meteen Doppler echo doen). Het gaat er om de erge gevallen eruit te halen. Met screening is het nooit OK een hond die mogelijk normaal is uit het fokprogramma te halen.

Feitelijk zouden de honden gedurende een aantal jaren gevolgd moeten worden wil je iets zinnigs kunnen zeggen (ze kunnen ook gevolgd worden als je op reguliere basis ent of titert).

Honden vallen zelden zo maar dood door MVD
Er is geen DNA test voorhanden omdat het polygenetisch is.
Tevens is het multifactoriaal (training/voeding/infecties/slechte fysieke conditie/omstandigheden waaronder de hond wordt gehouden et cetera)

Omdat we het idee hebben dat minimaal 10-15 % van de honden  (op basis van een cross-sectional screened onderzoek. Dit onderschat daarom per definitie de werkelijke prevalentie)  binnen het ras MVD hebben denken we dat er mogelijk sprake is van een probleem.

Sommige bloedlijnen laten een significant groter aantal van geaffecteerde gevallen zien dan andere.
De vraag hierbij is: in hoeverre heeft het kelpie wereldje zich op deze lijn gefocust omdat de eerste kelpie fokkers die gestart zijn met screening toevallig deze lijnen hadden.
Populatie onderzoek zal zinvol zijn maar is in dit stadium nog niet evident.

Om uit te zoeken hoe groot het probleem werkelijk is moeten we grotere aantallen kelpies screenen.

Heupdysplasie

Bronvermelding: diverse internetartikelen

Wat is de oorzaak van heupdysplasie (HD) bij honden?

Heupdysplasie is een ontwikkelingsstoornis van het bekken en de heupkop, die niet goed in elkaar passen. De heupkom is als regel te ondiep. Dit geeft pijnlijkheid, kreupelheid en vervroegde ¨slijtage¨ (artrose) van het kraakbeen in de gewrichten in de heup. Met een lichamelijk onderzoek kan de dierenarts de waarschijnlijkheidsdiagnose stellen. Maar met dierenröntgenfoto’s zijn deze aandoeningen goed in beeld te brengen. Vooral vanwege de pijn is de hond minder actief en daardoor blijft de ontwikkeling van de spiermassa rondom de gewrichten vaak achter.

tl_files/gezondheid/Simon springt uit het water.jpg

Heupdysplasie is ten dele erfelijk, maar ook voeding en beweging speelt in de eerste jaren een belangrijke rol.
Voor HD zijn er diverse mogelijkheden te bedenken om de problemen te verminderen, maar bij ernstige gevallen is operatie aan het bekken en/of euthanasie zeker te overwegen.

Zonder de fotó's en zonder de hond gezien te hebben is het niet makkelijk om daar een uitspraak over te doen.
Wat zou je kunnen doen:
1. Pijnstillers en ontstekingsremmers levenslang, liefst zo laag mogelijk gedoseerd in verband met kans op bijwerkingen aan de maag en nieren. Soms zijn ontstekingsremmers zoals prednisolon tijdelijk nodig, maar die hebben weer andere bijwerkingen, zoals verminderde afweer. Dit alles in overleg met uw dierenarts.
Je kan ook de spieren van de achterhand versterken door training, met name door lopen in een rechte lijn, zoals naast de fiets en zwemmen. vaak korte stukken wandelen i.p.v. een enkele lange wandeling
2. De hond niet te zwaar laten worden of de hond laten afvallen bij een wat zwaarder exemplaar. Hoe lichter de hond, hoe minder de hond hoeft te dragen.
3. Plotselinge bewegingen moeten voorkomen worden, zoals spelen met de bal of stok. Ook fysiotherapie en begeleiding van een dierfysiotherapeut is een mogelijkheid
4. Sommige voedingssupplementen, verminderen de HD-klachten. Door betere opbouw van het kraakbeen en betere “smering” van het gewricht knappen de honden soms op.
5. Sommige dierenartsen werken met homeopathische middelen, producten op basis van kruiden en planten (phytotherapie) en andere natuurproducten.

tl_files/gezondheid/Balu aan het dartelen.jpg

HD komt bij kelpies wel voor. Omdat de populatie tamelijk klein is fokken de meesten (binnen en buiten Nederland) met honden met HD A en HD B.

Chryptorchidie

Bronvermelding: diverse internetartikelen

cryptorchidie (de niet ingedaalde testikel) De teelbal (testikel) bij de reu wordt al vroeg in de vorming van de vrucht aangelegd in een gebied achter de nieren diep in de buik. Net als de nieren worden ze dubbel aangelegd. Het werkelijk afwezig zijn van een teelbal is net zo waarschijnlijk als het missen van een nier of een poot bij de geboorte.

tl_files/reuen/gideon/DSC_0450.jpg

Na de geboorte beginnen de teelballen een reis door de buik om gewoonlijk tussen de 1e en de 3e maand via het lieskanaal in de balzak te verschijnen. Bij een aantal reuen verloopt dit proces niet volledig en wordt de reis naar de balzak niet afgemaakt. De niet afgedaalde teelbal kan zich in dit geval dus overal tussen de achterzijde van de nier en de balzak bevinden. In een aantal gevallen is de bal zelfs te voelen in het lieskanaal. Wat betekent dit nu voor de reu. Een niet afgedaalde bal produceert net als een afgedaalde bal de gebruikelijke mannelijke hormonen. Het eenzijdig verwijderen van de buiten het lichaam aanwezig bal heeft dan ook geen invloed op de geslachtsdrift. Wel is het zo dat de "binnenbal" geen vruchtbaar zaad produceert. Voor de rijping van het zaad is het namelijk noodzakelijk dat de bal buiten het lichaam ligt, waar het enige graden koeler is. Een reu met een eenzijdig niet afgedaalde bal is net zo vruchtbaar als een reu met twee ingedaalde ballen. Omdat het hier om een erfelijk bepaalde aandoening gaat is het echter onverstandig om een dergelijke reu in te zetten voor de voortplanting. Indien het wenselijk is de reu te castreren dan dient dus ook de binnenste bal te worden verwijderd. Dit is voor een ervaren chirurg goed uitvoerbaar. Het risico van teelbalkanker komt bij ongeveer 1 op de 1000 (oudere) reuen voor. De teelbal neemt dan duidelijk in grootte toe, wat gewoonlijk een reden is voor een bezoek aan de dierenarts. Een deel van deze reuen heeft ook hormonale stoornissen die zich kunnen uiten als een huidaandoening. Het castreren is een simpele oplossing. Uitzaaiingen zijn in het eerste jaar vrij zeldzaam. Bij de in de buik aanwezige bal is dit risico ongeveer 20-25 x groter. Dit betekend dat 1 op de 40-50 reuen vroeg of later een tumor van de teelbal ontwikkelt. Omdat de teelbaltumor in de buik voor u als eigenaar niet zichtbaar is en dus veelal pas laat ontdekt wordt betekent dit dat er in meer gevallen al een uitzaaiing zal zijn ten tijde van ontdekking.

Daarnaast kan deze door de tumor mogelijk sterk vergrote teelbal ook andere buikklachten geven. In het verleden was dit altijd reden voor dierenartsen om te adviseren de binnenbal door middel van een buikoperatie te verwijderen. Onderzoek aan de Faculteit der Diergeneeskunde acht thans het risico van teelbaltumoren niet groot genoeg om een binnenbaloperatie te rechtvaardigen. Dit zou immers betekenen dat 1 op de 40-50 reuen "voor niets gecastreerd worden". Beter wordt het geacht de binnenbal 1 x per jaar door middel van voelen door een deskundige hand, of het maken van een echoscan te controleren op tumorvorming. In verband met het risico op tumorvorming is ons advies bij een niet ingedaalde bal: Indien castratie gewenst wordt geacht, deze door een dierenarts met voldoende chirurgische ervaring te laten uitvoeren Indien u een castratie niet gewenst acht: de situatie regelmatige ( jaarlijkse) te laten controleren de binnen bal preventief te laten verwijderen Deze laatste keuze blijft dus een persoonlijke beslissing.

tl_files/reuen/gideon/Gideon 182.jpg

Het niet indalen van de ballen is helaas een veelvoorkomend verschijnsel bij de kelpies. De eventuele operatie Indien besloten wordt de binnenbal per operatie te verwijderen, wordt in de praktijk meestal direct voor aanvang van operatie met behulp van echo-onderzoek een scan gemaakt van de binnenbal. De hond is dan immers onder narcose en geschoren. Op deze wijze kan de zoektocht naar de bal gedurende de operatie worden beperkt . De ingreep wordt daardoor minder uitgebreid en de duur ervan bekort, wat het verloop van de ingreep ten goede komt.

tl_files/gezondheid/Jelle aan het poedelen.jpg

Cerebellar abiotrophy

Bronvermelding: diverse internetartikelen

Bronvermelding: diverse internetartikelen

Wat is cerebellar abiotrophy?

Het cerebellum is het deel van de hersenen dat het toezicht regelt op en de coördinatie van de beweging. De cellen in de kleine hersenen die normaal volwassen zijn vóór de geboorte, verslechteren dan voortijdig en veroorzaken klinische symptomen geassocieerd met een slechte coördinatie en gebrek aan evenwicht.

tl_files/gezondheid/Majsan uit haar dak.jpg

Hoe is cerebellar abiotrophy behandeld?

Er is geen behandeling voor deze aandoening. Honden herstellen niet van deze aandoening en op een bepaald moment (afhankelijk van het tempo van de geleidelijke achteruitgang van de toestand die optreedt ) is euthanasie de beste oplossing.

Fokadvies: Met getroffen honden, hun ouders (dragers van het kenmerk) en hun broers en zussen (verdachte vervoerders) moet niet worden gefokt.
Het is niet makkelijk om te bepalen welke honden drager zijn en welke niet. Wel is men bezig een marker te ontwikkelen voor deze ziekte. Fokkers kunnen wel zoveel als mogelijk rekening houden bij het fokken door het niet gebruiken van vermoedelijke dragers van deze ziekte.

tl_files/gezondheid/Loekie aan het rollen.jpg

Welke rassen worden beïnvloed door cerebellar abiotrophy? Neonatale cerebellar abiotrophy (zeer zeldzaam) - gevolgen:cellen beginnen te ontaarden vóór de geboorte, zodat de tekenen van cerebellaire dysfunctie aanwezig zijn bij de geboorte of wanneer de pup zijn eerste wandelingen maakt. Beagle, Samoyed Beagle, Samojeed Postnatale cerebellar abiotrophy - cellen in de kleine hersenen die normaal zijn bij de geboorte en beginnen te ontaarden in de variabele tijd daarna. Australian Kelpie, Border Collie, Labrador Retriever - Klinische verschijnselen voor het eerst gezien bij 6 tot 12 weken, en de toestand verslechtert snel (over een paar weken). Cerebellar and extrapyramidal nuclear abiotrophy - cellen in andere regio's van de hersenen verslechteren.

tl_files/gezondheid/Loekie op de kust.jpg

Wat betekend cerebellar abiotrophy voor uw hond & u?

Cerebellum is het deel van de hersenen dat het toezicht regelt op en de coördinatie van vrijwillige beweging. De klinische symptomen van cerebellaire disfunctie in de getroffen honden kunnen ook een slechte balans, een breed gebaseerde houding (de voeten zo ver uit elkaar geplant), stijve of high-intensivering geven, schijnbare gebrek aan bewustzijn van de plaats waar de voeten zijn (staan of lopen met een mond knuckled over), en hoofd of lichaam tremoren. Deze symptomen verergeren ofwel snel of langzaam Getroffen honden kunnen geen trappen klimmen of staan zonder steun. Ze hebben de normale geestelijke alertheid. Klinische verschijnselen komen in verschillende gradaties van ernst voor, van lichte bevingen van het hoofd tot het totale verlies van controle. Symptomen verschijnen meestal bij 6 tot 12 weken. Sommige honden kunnen zich aan passen aan de dysfunctie en tonen weinig handicap. Waar andere regio's van de hersenen worden beïnvloed, ziet u andere gevolgen zoals het veranderen van gedrag (verlies van interne opleidingen, agressie), verwardheid, blindheid en epilepsi

tl_files/gezondheid/Majsan in het water.jpg

Patellaluxatie

Patellaluxatie of losse knieschijf bij de hond

Wat is patellaluxatie of knieschijfluxatie?

De knieschijf ofwel patella ligt normaal gesproken in een kraakbeensleuf aan het onderste gedeelte van het bovenbeen. Bij patellaluxatie schiet deze van zijn plaats (naar binnen of naar buiten). De knieschijf heeft een belangrijke functie in het mechanisme van de kniebuiging. Bij een luxatie van de knieschijf valt deze functie weg. Daardoor kan de hond niet meer goed op dit been steunen.

Normale knie:

Knie met patellaluxatie:


Knieschijfluxatie kan aan één poot voorkomen maar vaker zien we het beiderzijds. We zien het bij de jonge hond vanaf een week of 8 maar we zien ook vaak pas problemen op latere leeftijd. In principe kan patellaluxatie bij alle rassen voorkomen. We zien het echter het vaakst bij de kleine en minirassen.

Dat patellaluxatie een complex probleem is, blijkt wel uit de verschillende classificaties waarin deze aandoening wordt onderverdeeld.

Onderverdeling in voorkomen

  • Mediale luxatie (luxatie naar binnen) bij mini, kleine en grote hondenrassen.
  • Laterale luxatie (naar buiten) bij mini en kleine hondenrassen
  • Laterale luxatie (naar buiten) bij grote hondenrassen

Onderverdeling naar oorzaak 

  • Erfelijkheid
    Genetisch bepaalde anatomische afwijkingen veroorzaken de patellaluxatie. Zo kan de tibia (het stukje bot waar de kniepees aan vast zit) te veel naar binnen staan waardoor de knieschijf buiten de kraakbeensleuf gedwongen wordt.
  • Traumatisch
    Door een ongeluk kunnen een of meerdere bandjes afscheuren die normaal de knieschijf op zijn plaats houden
  • Tgv lichamelijke afwijkingen
    Andere aandoeningen kunnen ervoor zorgen dat de knieschijf losser in de kraakbeensleuf ligt. De ziekte van Cushing is zo’n voorbeeld. Door verslapping van de pezen en spieren wordt de knieschijf niet vast genoeg meer in de sleuf gehouden. 

Onderverdeling in de ernst van luxatie (vooral belangrijk voor de keuze van de behandeling) 

Patellaluxatie kan in verschillende gradaties voorkomen; van heel af en toe tot permanent op de verkeerde plaats. We maken de volgende onderverdeling hierin;

  • Graad 1
    De knieschijf is te luxeren bij een gestrekte poot de knieschijf met de hand te verplaatsen. Wanneer de poot weer in de normale stand staat schiet de knieschijf vanzelf weer terug.
  • Graad 2
    Hierbij schiet de patella er regelmatig naast en blijft dan in geluxeerde positie voor kortere of langere tijd. Sommige honden “zetten” de knieschijf zelf weer op de plaats door de poot naar achteren te strekken. Door het regelmatig op en af schieten van de knieschijf ontstaan kraakbeendeformiteiten, artrose en afvlakking van de kraakbeensleuf.
  • Graad 3
    De knieschijf is permanent geluxeerd, wanneer de knieschijf weer in de goede positie gezet wordt schiet deze er vanzelf weer uit. De kraakbeensleuf is ondiep of zelfs afgevlakt. De poot wordt wel belast maar staat vaak in doorgebogen positie.
  • Graad 4
    De knieschijf is permanent geluxeerd en de kraakbeensleuf is afgevlakt of schuin aflopend. Honden houden de poot omhoog of bij beiderzijdse luxatie lopen ze extreem afwijkend wijdbeens. 

Symptomen van patella luxatie bij de hond 

Verschijnselen van patellaluxatie kunnen variëren van heel af en toe door de betreffende poot zakken tot permanente afwijkende loop waarbij de dieren met de knieën naar buiten lopen. Wanneer de knieschijf weer in de goede positie schiet zijn de problemen ook weer direct verdwenen.

Bij mediale patellaluxatie kunnen we globaal drie groepen onderscheiden;

  • Pasgeborenen en puppies
    Problemen van afwijkend gebruik van een of beide achterpoten vanaf de tijd dat ze echt gaan lopen. Vaak zijn dit de dieren met patellaluxatie graad 3 of 4.
  • Jonge tot volwassen honden
    Deze dieren hebben vaak altijd al een wat afwijkende gang maar deze kan langzaam verergeren. Deze gevallen hebben vaak patellaluxatie graad 2 of 3.
  • Oudere dieren
    Oudere dieren met patellaluxatie graad 1 of  2 hebben vaak in hun leven slecht geringe verschijnselen. Vaak zien we bij deze dieren plotselinge kreupelheid en pijn door verergering van de luxatie en/of  door de toename in de vorming van artrose.

Hoe stellen we de diagnose patellaluxatie

De diagnose wordt gesteld aan de hand van het verhaal (anamnese) en het onderzoek waarbij met een speciale handgreep wordt gekeken of de knieschijf te luxeren is. In enkele gevallen is het beter dit onderzoek onder een lichte sedatie te doen.

Het maken van rontgenfoto’s is niet direct noodzakelijk voor de diagnose maar sluit wel andere oorzaken uit en kan informatie geven over de prognose en de keuze van behandelmethode. 

Wat is de behandeling voor te losse knieschijven? 

De behandeling van de patellaluxatie is afhankelijk voor de graad en de oorzaak van de luxatie.

Graad 1 patellaluxaties worden nogal eens niet behandeld (niet in de laatste plaats omdat de verschijnselen zo gering zijn). Toch is het zeer waarschijnlijk dat, door de regelmatige luxaties, een pijnlijk gewricht ontstaat. Bovendien kunnen hierdoor botafwijkingen ontstaan waardoor de luxatie steeds erger wordt.Het is dan ook zo dat de meeste van deze gevallen beter geopereerd kunnen worden.

De overige graden van patellaluxatie komen zeker in aanmerking voor chirurgie.

Vooruitzichten

De vooruitzichten na chirurgie zijn uitstekend, doel van de chirurgie is compleet functioneel herstel.   

Fokken met patella luxatie

Afgezien van de traumatische patellaluxatie (dus na een ongeluk) wordt het fokken van honden met een patellaluxatie ten zeerste afgeraden.


Preventie van Patella luxatie
Helaas zijn losse knieschijven niet te voorkomen. Het enige wat we kunnen doen is goede selectie van de dieren die we gebruiken voor de fok. 

Samenvatting

Patellaluxatie of lossen knieschijven is een veel voorkomende aandoening bij kleine hondenrassen. Hierbij schiet de knieschijf regelmatig van de plaats waardoor een kreupele gang ontstaat. De meeste vormen van patellaluxaties zijn gebaat bij chirurgie. De vooruitzichten na chirurgie zijn uitstekend.

Patellaluxatie komt een enkele keer ook voor bij kelpies.

Bron: https://www.dierendokters.com/honden/ziekten/patellaluxatie-losse-knieschijf

Oogziekten

Bronvermelding: diverse internetartikelen

Bij de hond komen verschillende oogziekten voor.

De belangrijkste zijn:

  • Retinadegeneratie of Progressieve Retina Atrofie (PRA). Een groep van netvliesafwijkingen die bij veel rassen voorkomt en tot blindheid leidt. 
  • Cataract (congenitaal). Dit is aangeboren grauwe staar.  de lens zijn troebelingen aanwezig. Cataract kan aan één oog of aan beide ogen voorkomen. Onderscheid met de bekende blauwe waas bij oudere honden (een normaal verouderingsproces) is meestal goed te maken. 
  • Retina Dysplasie (RD). Dit is een aangeboren netvliesafwijking.
  • Collie Eye Anomalie. Het is een aangeboren afwijking waarbij het netvlies, het vaatvlies en de oogzenuw betrokken kan zijn.
  • Ligamentum pectinatum abnormaliteit (Goniodysplasie). Een aangeboren afwijking van de afvoer van het oogvocht. Een deel van de honden met deze afwijking ontwikkelt hoge oogdruk (glaucoom) Entropion. Dit is een afwijking waarbij een ooglid (meestal het onderooglid) naar binnen draait.
  • Distichiasis/Ectopische Cilie. Dit is abnormale haargroei in o.a. de ooglidrand.
  • (Primaire) Lensluxatie. Dit is het loslaten van de lens. Een lensloslating kan een drukverhoging (glaucoom) in het oog veroorzaken en zo tot blindheid leiden.


Af en toe komen oogziektes voor bij kelpies maar niet echt veel. Over het algemeen wordt er in Nederland eerst getest op PRA voordat er met een hond gefokt wordt.

tl_files/gezondheid/Jelle aan ht poedelen.jpg

Rugklachten

Rugpijn komt niet alleen bij mensen voor. Honden met lange ruggen, zoals bassets, pekinezen, teckels en cockers, maar ook grotere hondenrassen, zoals de Duitse en Mechelse herders, kunnen er last van krijgen, vooral op middelbare of latere leeftijd.

Het ziektebeeld

De schijfjes tussen de wervels houden de wervel kolom soepel en omringen het ruggenmerg. Soms raken die schijfjes beschadigd, mogelijkerwijs ten gevolg van een trauma of door natuurlijk aanleg zoals bij bepaalde hondenrassen. Men heeft het dan over hernia van de tussenwervelschijf. Voor lage rugpijn hanteert de medische terminologie termen als lumbo-sacrale instabiliteit, lumbo-spinale stenose en lumbo-sacraalstenose. Al deze benamingen wijzen op hetzelfde probleem, namelijk dat het ruggenmergkanaal vernauwd is en dat daardoor het laatste gedeelte van het ruggenmerg bekneld geraakt is. Door deze beknelling van het ruggenmerg ontstaan pijn, verlamming en zelfs gevoelloosheid. De blaas kan ook niet meer normaal functioneren wanneer de hernia de zenuwen rond de blaas beknelt. Elke vorm van hernia of lumbo-sacraalstenose moet zo snel mogelijk worden behandeld om de mobiliteit van de hond en de werking van zijn organen te behouden.

De symptomen

Rug aandoeningen verlopen vaak via verschillende stadia die steeds ernstiger worden qua ziektebeeld.

Voor de eerste groep honden is rugpijn relatief mild. Wel vertonen ze een andere gedrag: zij wandelen niet meer zo graag en willen ook snel naar huis terugkeren. Sommige van hen hebben moeite om op een stoel of een bank te springen en janken om aan te geven dat zij opgetild willen worden. Andere weigeren de trap op- of af te lopen. Normaliter eten en drinken deze honden goed, maar er kunnen zich constipatieproblemen voordoen. Door het drukken tijdens de ontlasting voelen ze acuut pijn in de rug en durven daardoor niet meer te persen.

De tweede groep wandelt met moeite; ze slepen of waggelen met hun achterste poten. De bovenzijde van de achterpoot wordt over de grond gesleept en de nagels en de huid op de bovenzijde slijten snel af.

De derde groep bestaat uit honden die verlamd zijn. Kenmerkend is dat zij zich nog kunnen voortbewegen, echter wel hun achterste daarbij meeslepen. Uit onderzoek blijkt dat ze nog gevoel hebben in hun achterpoten, met andere woorden dat ze nog pijnprikkels gewaar worden. Sommige van hun kunnen nog wel plassen, bij andere is de blaas verlamd geraakt.

In de laatste categorie treft men honden die weliswaar geen pijn meer voelen maar zodanig gevoelloos zijn geworden dat zij op geen enkele stimulus meer reageren.

Voor de eerste en tweede groep zijn de prognoses voor een snelle genezing reëel. Wel is spoedige behandeling noodzakelijk. Voor de derde groep is een behandeling van enkele weken geboden waarna genezing goede kansen heeft. Voor de laatst genoemde categorie is genezing echter zeer moeilijk en vrijwel kansloos.

De behandeling

De dierenarts zal de hond eerst klinisch onderzoeken, desnoods aanvullend met röntgenfoto’s of MRI, om het stadium van de aandoening goed te kunnen diagnosticeren.

wervels hond

Indien er sprake is van een hernia in een vroeg stadium dan kan men die door middel van pijnstillers en koorts remmende medicijn bestrijden. Echter wanneer de hond al twee dagen lang de pijn die de hernia veroorzaakt niet meer voelt, dan is de behandeling complexer: acupunctuur, massage- en re-educatie sessies, onder andere in water, kunnen voorkomen dat de spiermassa helemaal verdwijnt ten gevolge van weinig of geen beweging. Uiteindelijk dragen ze bij aan de genezing. Van groot belang is dat de hond volledig kan uitrusten, geen trap oploopt en ook niet springt. Het regelmatig raadplegen van een osteopaat kan preventief werken en de symptomen van hernia aanzienlijk beperken. Soms wordt er ook een specifiek dieet voorgeschreven. Wanneer de medicijnen niet goed werken of wanneer er ernstige neurologische uitval is, dan is chirurgie de enige optie.

Tenslotte is het belangrijk dat u uw hond gerust stelt. Voorkom dat hij loopt, springt of de trap af- en oploopt zodat de letsels van het ruggenmerg niet verergeren. Als u hem optilt, houd de wervelkolom van uw hond dan zo recht mogelijk en als u hem weer neerzet, laat dan eerst de voorpoten de grond raken. Til daarom uw dier met een arm tussen de voorpoten en een arm tussen de achterpoten.

Helaas zien we ook bij de kelpie in toenemende mate rugklachten ontstaan. In hoeverre er sprake is van familiale gevoeligheid voor rugklachten of van externe factoren zoals trainingwijze is niet altijd duidelijk.

Gisèle Bidenbach

Bron: http://blog.direct-dierenarts.nl/rugpijn-bij-honden-de-meest-voorkomende-rugklachten/

Artrose en Spondylose

Artrose en spondylose bij de hond

Artrose

Artrose is een aandoening die voorkomt in een gewricht. Een gewricht bestaat uit botdelen die ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Over die botdelen zit een laag kraakbeen en daar zit als smeermiddel gewrichtsvloeistof (synovia) tussen. Het kraakbeen is normaal glad en veerkrachtig en samen met de synovia vormt het een soepel en beweeglijk gewricht. Wanneer er sprake is van artrose is het kraakbeen niet meer glad en veerkrachtig, maar ruw en stug. Hierdoor ontstaat er een ontstekingsreactie in het gewricht en wordt het gewricht pijnlijk en minder soepel.

Wanneer een gewricht niet soepel kan bewegen, zal er in dit gewricht een reactie optreden om dit te compenseren. Het lichaam probeert dit probleem zelf op te lossen door aanmaak van nieuw bot, meestal op de plaats waar het kapsel hecht aan het bot. De diagnose wordt in de meeste gevallen gesteld door middel van het maken van een röntgenfoto.

tl_files/gezondheid/Prachtig portret J-Lee.jpg

Spondylose

Artrose kan in alle gewrichten van het lichaam ontstaan, ook in de gewrichten van de rug. We spreken van spondylose wanneer er tussen twee wervels, als reactie op de artrose, nieuw bot wordt gevormd. Het nieuwe bot vormt een soort “bruggetje” tussen twee wervels en daardoor kan het gewricht niet meer bewegen. De spondylose op zich hoeft niet pijnlijk te zijn, maar wanneer met name de omliggende zenuwen onderdruk komen, ontstaat er pijn. Als deze druk te groot wordt kan er zelfs verlamming optreden.

Oorzaken

Artrose en spondylose zijn dus het gevolg van een kraakbeenbeschadiging in het gewricht.
Deze beschadiging kan ontstaan door:

  • Trauma ( bv na het scheuren van de kruisbanden in een knie)
  • Verkeerde en onvoldoende beweging
  • Het niet goed scharnieren van een gewricht tgv een erfelijke afwijking ( meest bekend is wel de heupdysplasie waarbij de kop niet mooi in de kom past)
  • Ontstekingen in een gewricht waarbij het kraakbeen wordt gezien als lichaamsvreemd (reuma)
  • Slijtage tgv een natuurlijk verouderingsproces bij dieren op leeftijd
  • Verkeerde voeding
  • Overgewicht

Symptomen:

  • Startstijfheid/ opstartkreupelheid
  • Stijfheid achterhand/ onderrug
  • Moeite met opstaan
  • Minder lang mee willen wandelen
  • Pijn aangeven door bijvoorbeeld een been in een andere stand te zetten
  • De gewrichten kunnen zichtbaar breder worden en harder aanvoelen
  • Moeite met ontlasting en/of plassen
  • Verlies spiermassa
  • Slapte
  • Verzet

Deze honden hebben vaak in de winter meer gewrichtsklachten. Ze hebben meer moeite met opstaan en het duurt langer voordat ze soepel zijn. Daarom is het belangrijk om honden met gewrichtsklachten goed warm te houden tijdens koude periodes.

Naast warm houden is beweging erg belangrijk, “rust roest”. Beweging zorgt ervoor dat de doorbloeding op gang blijft en de gewrichten warm en soepel blijven.

Behandeling

Deze chronische pijnklachten kunnen alleen symptomatisch worden behandeld, omdat je aan de gewrichtsverandering en de daarbij gepaard gaande artrose niets meer kunt doen.

Ook bij kelpies zien we een toename van spondylose. Naast een erfelijke gevoeligheid (wat bijna overal voor geldt) zien we vooral dat voeding en omgang een rol speelt. Kelpies worden, als gevolg van hun tomeloze energie, vaak verkeerd ingezet, getraind en uitgebouwd. En aan goede voeding zit een prijskaartje.

Bron: https://www.holistischdierenarts.nl/artrose-en-spondylose-bij-de-hond/

Elleboogdysplasie

Elleboogdysplasie (ED) bij honden

Wat is elleboogdysplasie

Elleboogdysplasie is een verzamelnaam voor een aantal afwijkingen die aan het ellebooggewricht kunnen optreden. De naam van deze aandoening betekent letterlijk ‘misvorming van de elleboog’. Wanneer de ontwikkeling van de ellebogen bij opgroeiende honden niet goed verloopt, dan kunnen deze gewrichten misvormd raken. Meestal ontstaat deze aandoening al op een leeftijd van 4 tot 12 maanden. Soms gaat het om lichte afwijkingen die niet zo belastend zijn voor de hond. Maar de gewrichten kunnen ook ernstig misvormd raken. De hond heeft dan flinke pijn en gaat met de voorpoten kreupel lopen. Elleboogdysplasie kan op den duur het kraakbeen in de aangetaste gewrichten beschadigen. Dus deze aandoening mondt meestal ook uit in artrose.

tl_files/gezondheid/Gijsje band werdstrijd.jpg

Wat is de oorzaak van elleboogdysplasie bij honden?

Het ellebooggewricht is misschien wel het meest complexe gewricht van de hond. En daardoor is het dus zeer gevoelig voor ontwikkelingsstoornissen. De meeste gewrichten bestaan uit twee botuiteinden. Het ellebooggewricht van de hond bestaat echter uit drie botten.
Daarom is de kans groter dat er tijdens de opgroeifase problemen kunnen ontstaan aan dit gewricht. Een aantal hondenrassen heeft aanleg tot het ontwikkelen van een vorm van ED.
Daarnaast kan elleboogdysplasie ontstaan door een te snelle groei. De spieren kunnen de ontwikkeling van de botten en gewrichten dan niet goed bijhouden. De pup komt spierkracht tekort om het gewicht tijdens een lange wandeling goed te kunnen blijven dragen. Daardoor raken de ellebooggewrichten overbelast.

Ook beweging kan een factor zijn. Bij wild spelen, springen en achter stuiterende tennisballen aanrennen, worden de ellebooggewrichten zeer zwaar belast. Bij jonge honden is de spierontwikkeling nog niet optimaal, zodat ze deze belasting nog niet goed kunnen opvangen. Daardoor neemt de kans op gewrichtsschade toe. Reuen hebben vaker last van deze aandoening dan teefjes, omdat reuen zwaarder zijn. Hieronder bespreken we de vier meest voorkomende vormen van elleboogdysplasie bij honden:

Wat is Osteochondritis Dissecans (OCD)?

Dit is een stukje kraakbeen dat los in het ellebooggewricht is komen te liggen. Daardoor raakt het bot ontstoken. Dit kan flink wat pijn veroorzaken. De dierenarts zal zo snel mogelijk operatief willen ingrijpen. Anders is de kans groot dat de ontstekingen het kraakbeen gaan beschadigen en er dus artrose ontstaat. Door middel van een arthroscopie zal het losliggende kraakbeenfragment worden verwijderd. Tijdens deze operatie wordt ook het ontstoken botweefsel schoongemaakt.

Wat is Incongruentie bij honden?

Bij deze vorm van elleboogdysplasie sluiten de ellepijp en het spaakbeen niet goed op elkaar aan. Dat komt doordat er tijdens de groei een lengteverschil is ontstaan tussen deze twee botten. Het gewrichtsvlak van het spaakbeen is te kort of te lang, waardoor het niet mooi aansluit bij de ellepijp. Dit veroorzaakt irritatie van het kraakbeen en het botweefsel. Er kan tevens artrose ontstaan. De dierenarts kan door middel van een operatie deze afwijking weer redelijk goed herstellen. Dit is echter wel een zware ingreep.

Los Processus Anconeus (LPA)

Het Processus Anconeus is een onderdeel van de ellepijp dat in de onderarm scharniert. Bij deze vorm van elleboogdysplasie is dit botje niet vastgegroeid. Het Processus Anconeus ontwikkelt zich vanuit het kraakbeen en is rond de 5e levensmaand vastgegroeid aan de ellepijp. Het los komen van dit onderdeel vindt dus plaats nog voordat deze verbening voltooid is. Het losliggende Processus Anconeus irriteert het kraakbeen van het ellebooggewricht. Daardoor ontstaat na verloop van tijd artrose. De dierenarts zal dit fragment operatief verwijderen.

Los Processus Coronoïdeus (LPC)

Het Processus Coronoïdeus is een stukje bot van de ellepijp aan de binnenkant van de elleboog. Bij deze ED-variant is dit onderdeel deels of helemaal afgebroken. Ook dit kan weer irritatie geven en uiteindelijk leiden tot artrose. De behandeling bestaat uit het operatief verwijderen van het losse fragment. Op het moment van het stellen van de diagnose, is er meestal al artrose in het gewricht aanwezig. Daardoor is deze ingreep complexer dan bij de andere vormen van elleboogdysplasie. Het artroseproces kan wel door de behandeling afgeremd worden.

Wat zijn de symptomen van elleboogdysplasie bij honden?

Mank lopen is één van meest opvallende kenmerken van een hond met elleboogdysplasie. Grote losse fragmenten in het gewricht zorgen voor meer kreupelheid. Incongruentie en LPA leiden in de regel tot grote mankheid. De problemen worden op jonge leeftijd zichtbaar en honden gaan al op een leeftijd van 6 tot 12 maanden naar de dierenarts. Soms is het moeilijk voor een baas om kreupelheid bij zijn hond te ontdekken. Let er op of uw hond snel gaat zitten en moeilijk opstaat. Andere indicaties zijn: geen zin meer hebben in lange wandelingen en erg stijf lopen.

Hoe wordt de diagnose elleboogdysplasie bij honden gesteld?

De dierenarts zal aandachtig luisteren naar uw verhaal. Naar aanleiding daarvan zal hij de hond lichamelijk onderzoeken. Bij het vermoeden van elleboogdysplasie zal de dierenarts vanuit meerdere posities röntgenfoto’s van het ellebooggewricht maken. Aan de hand daarvan kan hij een diagnose stellen om welke vorm van ED het gaat en of er sprake is van artrosevorming.

Hoe wordt elleboogsysplasie bij honden behandeld?

In de meeste gevallen zal de dierenarts operatief moeten ingrijpen bij alle vormen van elleboogdysplasie. Daarnaast kan hij ontstekingsremmende pijnstillers voorschrijven

Ook bij kelpies zien we een toename van Elleboogdysplasie. Naast een erfelijke gevoeligheid (wat bijna overal voor geldt) zien we vooral dat voeding en omgang een rol speelt. Kelpies worden, als gevolg van hun tomeloze energie, vaak verkeerd ingezet, getraind en uitgebouwd. En aan goede voeding zit een prijskaartje.

Bron: Bron: https://www.bewegenzonderpijn.com/elleboogdysplasie-ed-honden/